Historie

Toen in 1847 een groep schildersvrienden Pulchri Studio oprichtten, had Den Haag met kunstenaars als Schelfhout, Nuyen, Weissenbruch en Bosboom een leidende rol in de artistieke ontwikkelingen in Nederland. De stad kende ook al lange tijd een organisatie van kunstenaars. Zo was er sinds de 17de eeuw de schildersconfrérie Pictura, ontstaan uit het St. Lucasgilde. Pictura organiseerde kunstbeschouwingen en er werd getekend, naar gekleed model: de eerste academie. Bij het begin van de Franse overheersing verdween Pictura, maar de door de Fransen georganiseerde Tentoonstelling van Werk van Levende Meesters werd na hun vertrek in 1813 voortgezet.

In het begin van de 19de eeuw vestigden zich steeds meer kunstenaars in het landelijke Den Haag. Het kwam tot verscheidene pogingen om een vereniging van kunstenaars op te richten, zoals het ‘Teekencollegie Aan Kunst en Vriendschap gewijd’ in 1845. Vrijdagsmiddags werd op het atelier van Lambertus Hardenberg naar model getekend en daarna feest gevierd. In januari 1847 besloten Hardenberg, Roelofs, Van Hove en de Weissenbruchs een Schilderkundig Genootschap op te richten voor het tekenen naar model, het bevorderen van de belangen van de beeldende kunst en van de leden, en het houden van kunstbeschouwingen. Een maand later was Pulchri Studio (‘ter beoefening van het schone’) een feit. Van Hove werd de eerste voorzitter, kunstenaars als Bosboom, Bles en Rochusssen sloten zich aan en koning Willem II werd de eerste beschermheer van het genootschap. Verscheidene Oranjeprinsen werden tot Eerelid benoemd.


Fameus waren de kunstbeschouwingen, tot 1877 ‘zittend’, daarna ‘wandelend’, eerst aan de Wagenstraat, later in de Boterwaag. Kunstenaars lieten er hun werk bekritiseren en ook kunstlievende leden konden hun collecties tonen. De conciërge van de Boterwaag schonk een goede borrel: het begin van een sociëteit was er. Vrouwen waren nog niet welkom op de feesten, omdat dit ‘schade zou kunnen doen aan de goede reputatie die het Genootschap had verworven’. Pas in 1893 konden de dames aanschuiven aan het souper en enkele jaren later ook lid worden.

'Eigen haard'

De behoefte aan een ‘eigen haard’ leidde ertoe dat in 1861 het hoofdgebouw en de tuin met kegelbaan van het Hofje van Nieuwkoop werden gehuurd, waarna ook kunstenaars van andere disciplines als theater, architectuur en muziek als lid konden toetreden. In 1863 werd het initiatief genomen tot oprichting van een museum voor moderne kunst, de eerste stap naar het latere Gemeentemuseum. Exposities werden gehouden in de Haagse Tekenacademie. Omdat het Hofje van Nieuwkoop snel te klein werd, kocht Pulchri in 1887 het pand Prinsegracht 57 (thans Leger des Heils) aan, waarvoor onder meer een verkooptentoonstelling het benodigde geld opleverde. De vereniging bloeide, het aantal kunstenaars nam gestaag toe en de eerste befaamde feesten werden gegeven met tableaux vivants naar beroemde schilderijen als de Anatomische Les en de Nachtwacht en Géricaults Schipbreuk van de Medusa (omdat geen afbeelding beschikbaar was, kreeg Mathijs Maris de opdracht een schetsje van dit schilderij in het Louvre te maken). Tegen betaling werden deze tableaux vivants herhaald voor het publiek. De opbrengst ervan ging in een fonds ten behoeve van hulpbehoevende kunstenaars en van weduwen en wezen van kunstenaarsleden.
Toen ook het pand aan de Prinsegracht te klein werd, kochten de broers Mesdag tegen de eeuwwisseling de patriciërswoning Lange Voorhout 15, waaraan enkele indrukwekkende tentoonstellingszalen konden worden toegevoegd. Bij de ingebruikneming in 1901 beschikte Pulchri Studio over de ruimte waar het genootschap kon uitgroeien tot zijn huidige betekenis en omvang.

Veelkleurig gezelschap

Het groeiende aantal leden had Pulchri Studio inmiddels tot een veelkleurig gezelschap gemaakt. Sinds 1847 waren belangrijke schilders als Gabriël, Jozef Israëls, Mesdag en Mauve toegetreden en bij het afvaardigen van werken naar tentoonstellingen in binnen- en buitenland kwamen verschillen van opvatting naar voren: enerzijds de ‘officiëlen’, de vertegenwoordigers van de historie- en genreschilders met hun wortels in de Hollandse Romantiek, anderzijds de ‘artistieken’, die de nieuwe opvattingen vertegenwoordigden, d.w.z. vooral de landschapsschilders die tot de Haagse School gerekend worden. Het leidde tot controverses, niet tot een breuk. Sedert het voorzitterschap van Israëls (vanaf 1875) en Mesdag (na 1889) hadden de ‘artistieken’ de overhand.
Zij trokken internationaal de aandacht en de internationale kunsthandel toonde belangstelling: de Parijse kunsthandel Goupil opende een vestiging op de Plaats, waar schilderijen van de Haagse School en uit de School van Barbizon te koop waren en waar Vincent van Gogh als winkelassistent kennis maakte met de schilderkunst (later zou hij van zijn neef Anton Mauve toestemming krijgen de tekenlessen naar model bij Pulchri te volgen). De leden van de Haagse School vierden triomfen en de Marissen, Roelofs, Mauve en Mesdag ontvingen hoge onderscheidingen en hoge prijzen voor hun werk. Later, in de 20ste eeuw, zouden aan velen van hen grote herdenkingstentoonstellingen bij Pulchri worden gewijd. Deze glorietijd was toen voor Pulchri voorbij, al kon men er moeilijk afscheid van nemen.
Wel was rond de eeuwwisseling de avant-gardebeweging rond Toorop (met zijn banden met de Groupe des Vingt in Brussel en de Weense Sezession, Jugendstil en Nieuwe Kunst) nog van grote betekenis geweest. Maar in het vervolg sloten veel jonge kunstenaars met oog voor nieuwe ontwikkelingen zich liever aan bij de Haagse kunstkring, waar ook musici en literatoren als lid welkom waren. Slechts een beperkt aantal Pulchri-leden, onder wie Jan Sluyters, Paul Citroen en Gerd Arntz, had persoonlijke contacten met de internationale ontwikkelingen.

Feesten

Pulchri Studio slaagde er tussen beide wereldoorlogen wel in een rijk programma van feestelijkheden te presenteren met biljart- en kaartwedstrijden, met bijvoorbeeld in 1921 een groots ‘Fête de Têtes’, een grimeerwedstrijd waarin figuren optraden als Frans Liszt, Apachen, Japanners, Chinezen e.a., zij het zonder dames. Er werden muziek- en dansuitvoeringen en toneelstukken gegeven, waarbij Pulchri-leden als Willy Sluiter en Piet van de Ham zorgden voor de decoraties. In de zalen werden de ledententoonstellingen gehouden, maar ook exposities van onder meer Schotse, Hongaarse, Spaanse, Italiaanse, Poolse, Belgische en Zweedse schilderkunst. En zo droeg Pulchri Studio toch bij tot het bekend worden van nieuwe ontwikkelingen in de kunst.
Na de crisistijd – in 1932 organiseerde Pulchri Studio speciale ‘crisistentoonstellingen’ voor noodlijdende kunstenaars – vormde De Tweede Wereldoorlog met aanvankelijk verzet tegen de door de Duitsers ingestelde Kultuurkamer – in 1942 toch gevolgd door aanmelding – een zwarte bladzij in de geschiedenis van het genootschap. Voorzitter Willy Sluiter werd gedwongen in functie te blijven, naast enkele voorstanders, maar een aantal leden zegde op. De tentoonstellingen trokken weinig belangstelling. Na de oorlog zegde koningin Wilhelmina haar beschermvrouwschap en haar werkend lidmaatschap op. Het duurde tot 1996 dat koningin Beatrix bereid was het beschermvrouwschap weer op zich te nemen.

Figuratie en abstractie

Na de oorlog groeiden langzamerhand weer de contacten met de internationale kunstwereld. Ouborg, Nanninga, Hussem en Sinemus kwamen als eersten met abstract werk, wat leidde tot heftige discussies over figuratie en abstractie, vooral rondom kunstenaarscafé De Posthoorn. Haagse realisten als Van Heel, Andréa, Berserik en Draijer stelden zich op tegenover de ‘experimentelen’, die weer aansluiting zochten bij de groep ‘Vrij Beelden’. Kunstenaars van verschillende richting waren lid van Pulchri, de meeste leden van ‘Verve’ waren ook Pulchri-lid: Berserik, Van Heel, Schrofer, Bouthoorn en Westerik. Anderen behoorden tot de experimentele groep ‘Fugare’.
Vanuit Pulchri ontstond ook de vereniging Haagse aquarellisten, met kunstenaars als Andréa, Sierk Schröder, de Bruyn Ouboter, Jurjen de Haan en Theo Bitter.
In de recentere jaren werden ook beeldhouwkunst, grafiek, fotografie en nieuwe media belangrijker bij Pulchri Studio. “Los van de modes van het moment heeft Pulchri nu de respectabele status gekregen die past bij haar leeftijd. Niet conservatief en niet modern, maar wel al héél lang actueel.” (Leo Delfgaauw in ‘Van Weissenbruch tot Westerik’).

Bronnen:

Dr. H.E. van Gelder: 100 jaar Haagse Schilderkunst in Pulchri Studio; Amsterdam, 1948.
John Sillevis, Maarten Drijber en Leo Delfgaauw: Van Weissenbruch tot Westerik, 150 jaar Pulchri Studio; Den Haag, 1997
John Sillevis: Twee eeuwen Haagse kunst, dl. 1 van de serie Haags Palet; Den Haag, 2001